
Waarom moderne moeders vaker overbelast raken (en waarom dat niet jouw schuld is)
“Hoe deden ze dit vroeger?” Het is zo’n vraag die bijna iedere moeder zichzelf weleens stelt. Zeker op een dag waarop je voor de derde keer een koude kop koffie opwarmt, de wasmachine alweer piept en je baby net in slaap valt op het moment dat de pakketbezorger aanbelt.
Want eerlijk is eerlijk: we leven in een tijd waarin bijna alles makkelijker zou moeten zijn. We bestellen boodschappen vanaf de bank, de robotstofzuiger rijdt zijn rondjes en met één druk op de knop staat er een warme maaltijd voor de deur.
En toch voelen veel moeders zich uitgeput. Dat is geen toeval. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie krijgt ongeveer één op de vijf vrouwen na de bevalling te maken met psychische klachten, zoals angst of een depressie. Maar ook zonder diagnose geven veel moeders aan dat ze zich voortdurend overvraagd voelen. Hoe kan dat, terwijl we juist zoveel hulpmiddelen hebben?
De lat voor moeders ligt hoger dan ooit
Nog nooit kregen ouders zoveel informatie als nu. En misschien is dat juist wel het probleem. Instagram laat moeders zien die iedere ochtend havermoutpannenkoekjes bakken, ’s middags een sensory play opzetten en tussendoor ook nog een workout doen. Op TikTok vertelt de één dat je baby alleen biologisch zou moeten eten, terwijl de ander zweert bij een compleet andere aanpak. Podcasts, blogs, WhatsApp-groepen, boeken, consultatiebureaus… overal krijg je adviezen.
Meer kennis klinkt als een voordeel, maar ons brein denkt daar soms anders over. Hoe meer keuzes we moeten maken, hoe sneller onze mentale batterij leeg raakt. Psychologen noemen dat decision fatigue: besluitmoeheid. En laat jonge ouders nu juist de hele dag keuzes moeten maken. Van “Laat ik hem nog even slapen?” tot “Is dit een tandje of een oorontsteking?”
We doen het vaker alleen
Vroeger was opvoeden veel minder een taak van twee ouders. Er was bijna altijd wel iemand in de buurt. Een oma die de was deed. Een buurvrouw die even binnenliep. Een tante die bleef eten. Kinderen werden grootgebracht door een heel netwerk van mensen.
Antropologen hebben daar zelfs een naam voor: cooperative breeding. Mensen zijn van nature helemaal niet gemaakt om kinderen alleen op te voeden. We zijn geëvolueerd om het samen te doen. Alleen ziet het leven er tegenwoordig heel anders uit. Families wonen verder uit elkaar, buren kennen elkaar minder goed en veel jonge gezinnen moeten het vooral zelf uitzoeken. En toch verwachten we van onszelf dat het allemaal lukt.
We staan de hele dag ‘aan’
Je werkgever appt nog even iets door. De opvang stuurt foto’s. Je moeder vraagt hoe het gaat. Ondertussen probeer je via Google uit te zoeken waarom je baby ineens ieder uur wakker wordt. Zelfs tijdens een wandeling staat je hoofd nog aan.
En dan is er nog die onzichtbare to-dolijst:
“Zijn de luiers bijna op?”
“Wanneer is de volgende afspraak op het consultatiebureau?”
“Hebben we nog melk in huis?”
“Is de opvangtas compleet?”
Die constante stroom aan kleine taken wordt ook wel de mental load genoemd. Vrouwen dragen daar nog steeds vaak het grootste deel van, óók wanneer beide ouders werken.
Je brein krijgt daardoor nauwelijks de kans om op te laden. Tel daar de gebroken nachten bij op en het is niet gek dat je je aan het einde van de dag uitgeput voelt, zelfs als je het idee hebt dat je “niks bijzonders” hebt gedaan.
We moeten overal goed in zijn
Niet alleen een liefdevolle moeder. Maar ook een leuke partner. Een ambitieuze werknemer. Een betrokken vriendin. We sporten, koken gezond, plannen kinderfeestjes, houden onze administratie bij en proberen ondertussen ook nog tijd voor onszelf vrij te maken. Die combinatie is vrij nieuw. Nog nooit waren de verwachtingen rondom het moederschap zo hoog. En misschien verklaart dat wel waarom zoveel vrouwen zich afvragen waarom ze het gevoel hebben tekort te schieten. Terwijl het probleem misschien helemaal niet bij hen ligt, maar bij de onrealistische verwachtingen die we zijn gaan normaal vinden.




